Foto via Dirk Gillissen

Deze hoogleraar ziet ook in de wetenschap elke dag misverstanden over ras langskomen

Menno van den Bos

De neiging om mensen op een biologische manier op te delen, is niet alleen een Forum voor Democratie-hobby.

Foto via Dirk Gillissen

In februari van dit jaar vond een van de irritantste mediahypes in tijden plaats. Wat was er gebeurd? Er waren uitspraken van Forum voor Democratie-kandidaat Yernaz Ramautarsing opgedoken waarin hij een verband suggereerde tussen huidskleur/afkomst en IQ-scores. Ken je de discussie, sla dan één stap over en ga verder bij alinea drie.

Hij zei het volgende: “Er is een verschil in IQ tussen volkeren. (...) Ik had ook graag gezien dat het anders was, dat zwarte mensen hyperintelligent waren, dat Surinamers het hoogste gemiddelde IQ van de wereld hadden. Maar het is niet zo.” De discussie die volgde was als een stoomlocomotief die kuchend en piepend ontspoorde.

Zo werd in allerlei media de vraag gesteld of er een verband tussen ras en IQ is. Ramautarsing had het woord ras niet eens gebruikt, maar het floepte zomaar het publieke debat in. UNESCO zei in 1951 al dat er geen biologische mensenrassen bestaan, en dat er dus ook geen verband kan bestaan tussen ras en IQ. Toch werd ras in 2017 in allerlei media gebruikt.

“Ik was niet verrast, want dit thema komt steeds weer terug.”

Frustrerend als je, zoals ik, als sociaal wetenschapper bent opgeleid, en een klein beetje van dit onderwerp weet. Het zette me aan het denken. En dan vooral over Amade M’charek, hoogleraar antropologie van de wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Waarom? Omdat ik niemand ken die meer weet van ras, en vooral: van de manieren waarop de term verkeerd geïnterpreteerd wordt – zelfs door haar eigen collega-wetenschappers. Ze doet namelijk onderzoek naar raciale ideeën in genetisch en forensisch onderzoek.

Ik dacht: als ik me al zo erger, met hoeveel uitgetrokken haren moet M’charek dan wel niet achter haar bureau zitten? En ergens dacht ik ook: zeg iets! Vertel al die oliebollen hoe het zit! Ik mail M’charek of ze me wil vertellen hoe ze met dit soort discussies omgaat. Dat wil ze, en twee weken later ontvangt ze me op haar werkkamer.

Ik vraag hoe ze discussies waar ras in betrokken wordt, zoals die van laatst, beleeft. “Ik was niet verrast,” antwoordt ze rustig, “want dit thema komt steeds weer terug. Wel vond ik het interessant dat het serieus werd genomen in plaats van dat er direct werd gezegd: dit hebben we al gehad, we wéten dat er geen verband tussen ras en intelligentie bestaat. Overigens ging het niet eens over intelligentie, maar over IQ: dat is een toets, geen meting van je hersenen.”

‘Interessant’, ‘niet verrast’: M’charek praat bijna afstandelijk over het onderwerp. Niet dat ze zich niet ergert - maar omdat ze niet naïef wil zijn. En wie niet naïef is, is minder snel verbaasd.

M’charek wil zich bovendien niet door emotie laten leiden. “Ik vind het problematisch, maar ik vind het ook problematisch dat ik het zo problematisch vindt. Veel denken over ras is zo lelijk, dat je moet uitkijken dat je niet bevooroordeeld reageert.”

Maar laten we eerst scherpstellen waar we het nou precies over hebben. Want als ras niet bestaat, waarom wordt het woord dan nog zo veel gebruikt, door journalisten, wetenschappers en zelfs M’charek zelf?

Lekker meten

In de koloniale tijd ontdekten Europese antropologen bevolkingsgroepen in verre oorden. Dat moesten wel andere soorten mensen zijn. Weet je wat, dachten ze, als we nou van alles opmeten, van schedelgrootte tot reukvermogen en voetafdruk, krijg je vanzelf verschillende rassen, net als bij dieren.

Maar er bleek geen enkel patroon te vinden: als persoon X de schedelgrootte van het veronderstelde ras A had, had-ie weer de voetafdruk van ras B. De rassenleer bleek een kaartenhuis, dat uiteindelijk in elkaar zou storten. (Helaas niet voordat ze ontspoorde in eugenetica: het streven naar genetische verbetering van een volk. Berucht door, noem eens wat, nazi-Duitsland.)

Ze kwam er al snel achter dat er in de wetenschap nog steeds een neiging leeft om langs raciale lijnen te denken. “Het blijft als een sjabloon de wetenschap ingebracht worden.”

Na de Tweede Wereldoorlog werd denken in biologische verschillen taboe. Alhoewel? In de genetica stak het decennia later weer de kop op. Mede daardoor raakte M’charek door genetisch onderzoek gefascineerd. In de jaren negentig deed ze promotieonderzoek naar het Human Genome Diversity Project, van genetici die menselijke diversiteit in kaart wilden brengen.

“Die genetici gingen op zoek naar ‘pure’ DNA-samples bij inheemse bevolkingsgroepen. Daarom werden die genetici door veel mensen gebasht, ‘stelletje racisten!’ Maar ik wilde het kalm onderzoeken. Ik ben gaan meelopen met die onderzoekers, en heb zelf ook DNA geanalyseerd om erachter te komen: wat voor ideeën over ras en diversiteit worden hier nu eigenlijk geproduceerd? Ik wilde als ‘zachte’ wetenschapper het debat over genetisch verschil van binnenuit leren begrijpen.”

Ze kwam er al snel achter dat er in de wetenschap nog steeds een neiging leeft om langs raciale lijnen te denken. “Het blijft als een sjabloon de wetenschap ingebracht worden. De genetische diversiteit tussen mensen is enorm groot, en raciale categorieën zijn een manier om dat een beetje te ‘temmen’.”

Ook al weet men dat ras niet ‘echt’ bestaat – ergens blijft het een handig instrument. In de genetica gebeurt het steeds minder, maar in de medische wetenschap en de psychologie is het nog relatief geaccepteerd. Zo zijn er psychologen die zich bezighouden met intelligentie en daarbij langs etnische lijnen onderzoek doen. “Het is dus niet toevallig dat die discussie van laatst specifiek over IQ ging”, zegt M’charek.

“Laatst hield ik een lezing, die werd onderbroken door een nette meneer. Hij vergeleek ras met de zwaartekracht: ik kan toch zien dat het bestaat?”

De neiging tot het biologiseren van verschil wordt eerder sterker dan minder. Maar wacht, was Nederland vijftig jaar geleden niet veel racistischer? “Toen de Indonesiërs hier na de dekolonisatie kwamen, kregen ze de vreselijkste dingen over zich heen,” vertelt M’Charek. “En kijk naar wat Surinamers meemaakten, of de eerste generatie gastarbeiders na de Tweede Wereldoorlog.”

Toch is er een verschil, zegt ze. “In die naoorloogse jaren waren de vooroordelen toegespitst op ‘cultuur’, inmiddels gaat het over veronderstelde biologische verschillen: dat is wel even een ander level.”

De neiging om mensen op een biologische manier op te delen, is verre van een Forum voor Democratie-hobby. “Heel veel mensen biologiseren: maar er zijn toch gewoon verschillen?, zeggen ze dan. Laatst hield ik een lezing, die werd onderbroken door een iemand in de zaal, een heel nette meneer. Hij vergeleek ras met de zwaartekracht: ik kan toch zien dat het bestaat?”

Hoe ze reageerde? Lachend: “Ik heb hem alle hoeken van de kamer laten zien. Als je je zo alwetend opstelt, kun je het van mij ook terugkrijgen. Ik vond het verschrikkelijk dat hij niet wilde benoemen wat hij écht dacht, en het dus maar met de zwaartekracht vergeleek. Zo iemand kan ik tienduizend voorbeelden laten zien van genetische variatie die indeling in rassen weerlegt, maar het dringt niet door.”

Worsteling

Het was een zeldzaam moment waarop M’charek zichzelf toestond dat haar ergernis naar de oppervlakte kroop. Normaal gesproken is ze geen wetenschapper die boos op barricades klimt. Sterker nog: ze gaf pas vorig jaar voor het eerst een groot interview, aan Vrij Nederland. Tegen dat interviewverzoek ja zeggen was een weldoordachte beslissing - en eentje die volgde op een lange worsteling.

Jarenlang piekerde ze: welke woorden moest ze gebruiken? Welke toon moest ze aanslaan? “Ik kon letterlijk mijn stem in het debat niet vinden. Ik heb er veel met mijn promotor over gesproken, en besloot te zwijgen.”

Maar haar zwijgen ging ongemakkelijk voelen. “Want je hebt veel expertise, maar intussen wordt er allerlei onzin uitgekraamd. En als wetenschapper word je toch betaald met gemeenschapsgeld, dat geeft verantwoordelijkheid.”

Met frisse tegenzin waagde ze zich toch in de mediawereld. Na haar grote interview met Vrij Nederland zag ik haar opeens ook op grote videoschermen in het Tropenmuseum en in dagblad Trouw. Iets waar ik blij mee ben – maar dat het zo lang duurde, geeft te denken. Niet in het minst over de beroepsgroep waar ik toe behoor: journalisten.

Om dat toe te lichten, neem ik opnieuw de ophef over Ramautarsing als voorbeeld. Die nam journalisten kwalijk dat ze hem verkeerd citeerden, omdat hij nooit de link tussen ras en IQ had gelegd. Het klopt dat het de buitenwereld was die het woord ras ging gebruiken – iets dat alleen kan gebeuren als het bestaan van rassen als een vanzelfsprekend gegeven wordt gezien.

Nu waren Ramautarsings woorden ook zonder dat hij ‘ras’ noemde, misleidend. De essentiële nuance is dat IQ een deels op westers onderwijs afgestemde meetmethode is waarbij niet alleen hersenkracht, maar ook cultuur en opleiding een rol spelen. Wie in een niet-Westers land woont of een land met minder goed onderwijs, zal de IQ-test minder goed maken. En er zijn meer problemen mee.

En dat was niet de eerste keer dat er misverstanden over ras gingen rondzingen.

Toen Geert Wilders na zijn “minder Marokkanen”-uitspraken in 2014 racisme werd verweten, zag ik bepaalde twitteraars dingen zeggen als ‘Marokkanen zijn geen ras, maar een etnische groep’. Ook daar speelde weer het idee van ras als iets vanzelfsprekends. Want als Marokkanen volgens jou geen ras zijn, suggereer je dat er an sich wel rassen zijn. Of dat racisme alleen zou kunnen gaan over veronderstelde raciale groepen.

En ik zou net zo goed mijn moeder kunnen noemen, die me vreemd aankijkt als ik zeg dat ras een sociaal construct is. Net als veel andere, verder hartstikke intelligente Nederlanders.

Op zulke momenten keer ik bij wijze van spreken wanhopig mijn hoofd naar mensen als M’charek: leg die twitteraars en mijn moeder uit hoe het zit! Een gemakzuchtige gedachte, maar toch.

Nog altijd zal M’charek niet snel een megafoon aan haar mond zetten en een tegengeluid laten schallen. “Ik vind het belangrijk om me zorgvuldig uit te drukken. In tijden die zo gepolariseerd zijn, word je snel misverstaan. Ik wil niet kort door de bocht gaan, maar ook niet zo voorzichtig zijn dat mensen denken: oh, misschien bestaat ras dan toch.” Anderen mogen met het onderwerp ras op de zeepkist klimmen – M’charek wacht liever even om het hoekje af.

Geef haar eens ongelijk: wie genuanceerde dingen over dit onderwerp zegt, is binnen no time een boksbal: policor wegkijkende Gutmensch! Dat weet M’charek ook - daar heeft ze geen Twitter-account voor nodig.

Achteraf was een opiniestuk dat ze in 2016 met twee collega’s in NRC publiceerde, over raciaal profileren in de zorg, een belangrijk moment. Het ging over een misverstand zó groot, dat ze het niet meer volhield om zich afzijdig te houden.

“Ons stuk ging over een nierfunctietest uit Amerika, waarvan de richtlijnen aangeven: “Let op: bij het negroïde ras vermenigvuldigen met 1,21!” stelt de richtlijn over calciumwaarden. Maar die waarden verschilden door spiermassa. Zwarte Amerikanen uit de testgroep waren gespierder, maar de link bestaat in relatie tot de spieren, niet tot kleur. Iemand die wit en gespierd is, heeft die andere calciumwaarden ook.”

Maar bij Nederlandse artsen ontstond het misverstand dat spiermassa een etnisch verschil is en dus een biologische basis heeft. En zo floept een idee over ras zomaar weer de wetenschap in.

De ene migrant is de andere niet

Maar om even advocaat van de duivel te spelen: is het dan wel zo dat zwarte Amerikanen gespierder zijn en heeft dat een genetische basis? Ja en nee: de verklaring voor een eventueel verschil is dat migratie sterk ‘geclusterd’ is, legt M’charek uit. “Migranten komen meestal uit een bepaalde regio waarvandaan mensen typisch gezien migreren. Hun gemiddelde eigenschappen zeggen niet altijd iets over het geheel. Dat gemigreerde Ghanezen gespierder zijn, betekent dus niet dat alle Ghanezen dat zijn, laat staan alle zwarte mensen.”

Nog een voorbeeld: “Marokkaanse migranten in Nederland waren vaak gastarbeiders, dus laagopgeleid. Maar Marokkaanse mensen in Frankrijk zijn vaak juist hoger opgeleid en vaak lid van de culturele elite.”

Het zijn dit soort nuances waarvan M’charek vaak vreest dat ze in discussies vervliegen. Bepaalde media mijdt ze daarom nog steeds. “Ik zie mezelf niet bij DWDD zitten. Ik ben bang dat de thema’s die ik zorgvuldig probeer te belichten, sneuvelen in die dynamiek. Dat heb ik niet in de hand, dat weet ik gewoon.”

De gedachte dat ze eigenlijk nu iets moet zeggen heeft ze continu. “Du moment dat Forum voor Democratie iets geks zegt, moet ik er eigenlijk keihard tegenin gaan. Maar toch denk ik dan: even wachten. Pas als de gemoederen bedaard zijn, is er weer een rustig gesprek mogelijk.” En je moet er ook maar net de tijd voor hebben, zegt ze met een schaterlach.

Consensus of niet?

Wat niet helpt, is dat er ook in de wetenschap onenigheid is over ras. Wacht, de consensus was toch dat het niet bestaat? Ja, maar ook weer niet.

Want net als bij klimaatwetenschap, zijn er altijd academici die deukjes in die consensus willen schoppen. Sommigen omdat ze de stokebrand uithangen, anderen omdat ze oprecht vinden dat de consensus eens in de zoveel tijd een stresstest moet ondergaan.

De wetenschappelijke neiging om kennis nooit voor lief te nemen leidt er alleen wel toe dat mensen aan klimaatverandering gaan twijfelen, of zeggen dat er toch rassen zijn. Een lastig bij-effect van een goed principe. Vooral omdat de tegendraadse 5 procent meer media-aandacht krijgen dan de andere 95.

“In de genetica verschijnen dagelijks papers die laten zien dat er geen strakke biologische lijnen tussen mensen zijn. Maar de paar papers die er vraagtekens bij zetten, die krijgen aandacht,” zegt M’charek.

Kort geleden stuurde M’charek met een batterij internationale collega’s een open brief, gepubliceerd op BuzzFeed, over geneticus David Reich, die erop hintte dat ras misschien tóch bestaat. De brief was fel en duidelijk: Reich maakt volgens hen de kritieke fout om genetische verschillen tussen populaties raciaal te interpreteren.

“Ik zag hoe een zwart meisje met een bloedziekte werd gezien als lid van een sociale-risicogroep, waardoor men er standaard van uitging dat ze op het vmbo zat, terwijl ze vwo deed.”

En dan heb je ook nog de, met name Amerikaanse, wetenschappers die erkennen dat rassen niet bestaan, maar om praktische redenen toch het woord gebruiken.

“Als academicus móet je mee in de Amerikaanse race categories - whites, blacks, Hispanics - om de data vergelijkbaar te kunnen maken. Dat is heel frustrerend. En soms heeft het zelfs nog de suggestie van een biologische basis. Hun redenen daarvoor zijn deels pragmatisch. De Amerikanen zeggen: ooit kunnen we mensen tot op detail individueel analyseren, maar tot die tijd gebruiken we ras als marker. Race in the meantime, wordt dat genoemd. Dat is niet onschuldig, want het geeft validiteit aan raciale kwalificaties.”

Ook in de media is het vaste prik om te spreken van whites, blacks en Hispanics. “In de VS is ras een sociale categorie. Het mag niet gebiologiseerd worden, maar het is wél een identiteit voor mensen. Dat is heel complex.”

Soms worden aanhalingstekens gebruikt – ‘ras’ – als in: niet letterlijk opvatten. Maar dat is volgens M’charek geen wondermiddel. “Het kan helpen duidelijk maken dat je het niet voor lief moet nemen, maar aanhalingstekens gaan ons niet redden.”

Moraal van het verhaal? Ras bestaat niet, maar ook weer wel. Namelijk: in het dagelijks taalgebruik, en ook in de medische wereld, in de psychologie, in de genetica, in de antropologie. Soms als sociaal construct om op te reflecteren, soms uit gemakzucht of pragmatisme. Of vanuit de misvatting dat verschillen tussen populaties (die er wel degelijk zijn) bewijs zouden zijn voor ras in de biologische zin.

Alles bij elkaar maakt dit het voor experts als M’charek bijna onmogelijk om het goed uit te leggen. Intussen blijven misvattingen schade aanrichten. Ook met ‘quasi-raciale onderscheiden’, zegt M’charek. Daarmee bedoelt ze: mensen reduceren tot cultuur of etniciteit.

“Ik zag hoe een zwart meisje met een bloedziekte werd gezien als lid van een sociale-risicogroep, waardoor men er standaard van uitging dat ze op het vmbo zat, terwijl ze vwo deed. Dat soort essentialisering van verschillen blijft bestaan, ook als het niet ras, maar cultuur of afkomst wordt genoemd.”

Amade M’charek blijft er monter onder, want ze maakt zich geen illusies: stereotypes zijn onuitroeibaar, en het woord ras zal altijd blijven verwarren.

De grote uitdaging is om te vertellen dat ras niet bestaat, zonder dat je het onderwerp nog meer taboe maakt dan het al is - want dan wordt het alleen maar spannender om er stoute dingen over te zeggen. Die balans is misschien wel onvindbaar. Maar ergens in een klein kamertje op de UvA zit in elk geval iemand die besloten heeft het te proberen.

Volg Motherboard op Facebook en Twitter.